Nieuws & agenda

Kind in het digitale tijdperk

Op woensdag 31 augustus van 20:00 tot 22:00 uur is er in Binnenbos Zeist een lezing van psychologe Leonie Fraterman en orthopedagoge Loes Rossewij over kind in het digitale tijdperk.

Voor kinderen en jongeren van de 21e eeuw is het gebruik van digitale hulpmiddelen onontkoombaar. Naast de vele voordelen van het gebruik van digitale apparatuur kan onverantwoord gebruik leiden tot problemen op diverse gebieden.

In deze lezing bieden we handvatten aan om uw kind op een verantwoorde manier om te laten gaan met digitale hulpmiddelen. Ook gaan we dieper in op het gebruik van veilig internet en sociale media, cyberpesten en gameverslaving. Aan het einde van de avond is er ruimte om vragen te stellen en met elkaar in discussie te gaan.

U dient zich vooraf aan te melden via info@kjphelder.nl (vóór dinsdag 29 augustus)

Adres: Binnenbos Zeist, Hoog Kanje 186, 3708 DL Zeist, tel: 06-46304463

Nieuwsbrief april 2016 – Wanneer leren lezen en spellen niet vanzelf gaat…

Voor de meeste kinderen is leren lezen en schrijven iets ontzettend leuks. Ze ontdekken wat je allemaal met geschreven taal kunt en er gaat een hele nieuwe wereld voor ze open. Opeens kunnen ze lezen wat er op het briefje van mama aan papa staat, wat op het bord langs de straat en wat er  op het pak hagelslag staat beschreven. Helaas is het niet voor elk kind een proces van blijdschap en ontdekkingen. Sommige kinderen hebben zoveel moeite met leren lezen en schrijven dat ze al snel een afkeer krijgen en er liever niet meer mee aan de slag gaan.

Leren lezen

Een kind leert vanaf ongeveer 6 jaar lezen en schrijven. De fase van beginnende geletterdheid begint echter al veel eerder. Kinderen leren als kleuter al dat er een relatie bestaat tussen gesproken en geschreven taal. Ze gaan letters herkennen, ze zien dat verhalen uit heel veel woorden bestaan, en woorden weer uit klanken. Een aantal kinderen ontdekt het alfabetisch principe min of meer spontaan in de kleuterperiode. De meeste kinderen komen echter pas zover via geleide instructie in groep 3.  In de fase van gevorderde geletterdheid leren kinderen steeds sneller woorden te herkennen (het leesproces begint zich te automatiseren). Kinderen kunnen zich dan meer op de betekenis van de woorden richten en op de inhoud van de tekst. Ook gaan ze begrijpen dat er verschillende soorten teksten zijn (informatieve of verhalende teksten) en hoe een tekst is opgebouwd. De grootste groep kinderen leert zonder al te veel problemen lezen.

Een kleine groep kinderen heeft echter meer moeite met leren lezen en schrijven. Deze groep kinderen heeft meer instructie nodig en meer oefentijd. Het wil zeker niet zeggen dat al deze kinderen dyslectisch zijn. Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 4% van alle leerlingen dyslectisch zijn.

En spellen dan?

Kinderen die veel moeite hebben met lezen hebben vaak ook moeite met spellen (dit is echter niet altijd het geval). Over het algemeen gaat men er vanuit dat leren spellen een moeilijker proces is dan leren lezen. Bij lezen worden de letters (die al in de juiste volgorde staan) omgezet tot klanken en woorden, bij spelling moeten de juiste tekens (letters) gekozen worden bij de klanken die men hoort en de volgorde moet ook nog bepaald worden. Ook motorisch kan het schrijven veel vragen van een kind. Wanneer een kind moeite heeft met de klank-tekenkoppeling kan dit in groep 3 al zorgen voor grote problemen. Het schrijven van klankzuivere woorden (je schrijft het woord zoals je het hoort) is voor deze kinderen al erg lastig. Later, vanaf halverwege groep 4, worden er ook steeds meer spellingregels en afspraken behandeld (open en gesloten lettergrepen en werkwoordspelling etc.). Op veel spellingregels zijn er ook weer uitzonderingen die kinderen moeten leren. Spelling is dus behoorlijk complex en niet elk kind leert dit even makkelijk.

Enkele feiten over leesachterstanden:

  • Niet elk kind leert even snel lezen.
  • De leeftijd van negen jaar blijkt bij het leren lezen cruciaal. Na die leeftijd leren kinderen veel minder gemakkelijk lezen (tijdig ingrijpen dus).
  • De oorzaak van de […]

Nieuwsbrief februari 2016 – Angst

Bibberend van de zenuwen staat Tom voor de klas. Vandaag is hij aan de beurt om een stukje voor te lezen aan de klas. Tom voelt zijn hart kloppen en zijn wangen rood kleuren. Het liefst was hij vandaag thuis gebleven, want ‘ojee, straks maakt hij nog een fout!’. Tom heeft last van faalangst. Hij is bang om te falen bij een taak en hij is niet de enige. In het basisonderwijs heeft ongeveer een op de tien kinderen last van faalangst. In het voortgezet onderwijs een op de vijf jongeren. Het overkomt zowel jongens als meisjes. Vaak zijn het kinderen en jongeren met weinig zelfvertrouwen. Faalangst is niet de enige angst waar kinderen en jongeren last van kunnen hebben. Deze nieuwsbrief gaat over normale angst en de stoornis.

Angst waarschuwt ons      

Er is geen duidelijke grens tussen normale angst en een angststoornis. Alle kinderen zijn weleens bang, maar de een is angstiger aangelegd dan de ander. Angst hoort ook bij het leven. Net als pijn is het nuttig. Angst waarschuwt ons, bijvoorbeeld dat we niet te hoog in een boom klimmen of niet zomaar een drukke weg oversteken. Dreigt er gevaar dan zorgt ons angstmechanisme ervoor dat ons lichaam in staat van paraatheid wordt gebracht. We gaan sneller ademen, ons hart gaat sneller kloppen, onze bloeddruk stijgt en we gaan transpireren. Hierdoor kunnen we als er echt gevaar dreigt direct handelen. Maar als er geen echt direct gevaar is dan is het heel onhandig. Het lichaam maakt zich klaar voor echt gevaar terwijl dat niet nodig is. Als dat telkens gebeurt, is dat vermoeiend en vervelend. Vaak gaan we dingen waarvoor we bang zijn ook vermijden. De angst wordt dan minder of verdwijnt en dat is prettig. Als angst en vermijding echter het leven van een kind gaan bepalen dan gaat er iets niet goed. Een gesprek met een kinderpsycholoog kan dan helpen.

Angstontwikkeling

Per ontwikkelingsfase kunnen zich bij kinderen specifieke (normale) angsten voordoen. Peuters en kleuters kunnen bang worden van hun eigen fantasie, zoals voor de monsters onder het bed, of dat ze verlaten worden door hun ouders. Dit laatste wordt ook wel scheidingsangst genoemd. Schoolgaande kinderen hebben juist weer meer last van angsten voor reële gebeurtenissen, bijvoorbeeld dat zij of hun ouders ernstig ziek worden of dat ze door een auto worden aangereden. Deze angsten lopen parallel aan de cognitieve ontwikkeling. Kinderen maken namelijk elke dag dingen mee die ze (nog) niet begrijpen of komen tot nieuwe inzichten. Een peuter ziet zijn vader weg gaan maar begrijpt nog niet dat hij weer terugkomt en een achtjarige jongen denkt na over de dood. Sociale angst komt vaak voor bij adolescenten. Voor hen is het (extra) belangrijk om sociaal geaccepteerd te worden door leeftijdsgenoten. Zij brengen immers steeds meer tijd door met leeftijdsgenoten en maken zich in deze fase los van ouders.

Hoe merkt u als ouder of leerkracht dat een kind bang is?

Een kind kan op verschillende manieren laten merken dat het bang is. Vaak geven kinderen aan last te hebben […]